> Historie
Een eerste stap
De Maatschappij van Weldadigheid heeft een even unieke als kleurrijke historie: de bevlogen generaal Johannes van den Bosch start in 1818, geheel naar eigen inzicht, een sociaal experiment met de oprichting van een ‘proefkolonie'. Van de twee miljoen inwoners van ons land, leeft destijds ruim 10% onder de armoedegrens. De mislukte oogsten van 1816 en 1817 maakten het er niet beter op. Nog meer mensen kregen het heel moeilijk.
Onder de welgestelden vond Van den Bosch binnen 3 maanden na de oprichting al bijna 15.000 contribuanten die samen goed waren voor zo'n 40.000 gulden per jaar. Daarnaast stroomden nog diverse, soms zeer forse giften binnen. Er was voldoende draagvlak voor de verwezenlijking van het doel: verpauperde landgenoten een nieuwe basis van bestaan, boden binnen de bescherming van de landbouwkoloniën, om vervolgens kansrijk terug te keren in de normale maatschappij. Er werd niet alleen voorzien in werk, maar ook in onderdak, onderwijs en zorg.
Koninklijke instemming
De oprichting van de Maatschappij kreeg op 5 maart 1818 de instemming van Koning Willem I. Hij maande overigens wel tot voorzichtigheid bij het 'fabricerende' deel van het plan. Men moest zich maar beperken tot het vervaardigen van linnen om de kolonisten ook in de winter bezig te houden. Van den Bosch wachtte na deze instemming geen moment en stichtte de proefkolonie. Het landgoed Westerbeeksloot in zuidwest Drenthe werd aangekocht. Woeste grond die met hulp van boeren uit Vledder werd bewerkt. Op 25 augustus kon de generaal de eerste steen leggen voor het eerste koloniehuisje.
De proefkolonie werd gevestigd aan de weg van Steenwijk naar Vledder. Het huidige Hotel Frederiksoord bestond toen al als logement. De bouw van de koloniehuisjes verliep vlot. De woningen werden opgetrokken uit steen en gedekt met riet. Een woonruimte van 20 vierkante meter en twee bedsteden werd later uitgebreid met een houten achterhuis dat als stal en schuur kon worden gebruikt. Al in november 1818 konden de eerste 52 gezinnen worden ontvangen. Alhoewel de kolonisten eerst in Vledder 'kerkten', bleek die mogelijkheid al snel ontoereikend. Rond 1850 kon men beschikken over eigen kerkgebouwen voor zowel protestanten als katholieken. In 1837 was er al een synagoge gesticht in de kolonie Willemsoord.
Werk en onderwijs
Bij de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid had koning Willem I bepaald dat men zich in de koloniën ten aanzien van de ‘fabricerende arbeid' moest beperken tot het spinnen en weven van de kleding voor de kolonisten. In de ‘spinne- en weeverijen' waren voornamelijk vrouwen en kinderen aan het werk, die geen zware (veld)arbeid aankonden. Geleidelijk aan groeiden ook het aantal eigen werkplaatsen voor timmer- en schilderwerk, beschikte men over een eigen steenbakkerij en over een eigen kalkoven. Naast de voorziening in eigen behoeften was dat een goede leerplek voor jonge kolonisten. Aan onderwijs heeft de Maatschappij vanaf het begin veel aandacht besteed. Door inzet van meester Wolda steeg de ‘kolonieschool' tot grote hoogte. Dat leidde niet alleen tot applaus maar ook tot kritiek. Immers: worden mensen die bestemd zijn achter de ploeg te lopen niet ontevreden met hun lot als ze veel leren?
Kinderen van 5 tot 12 jaar volgden verplicht 5 dagen per week onderwijs. Boven de 12 jaar was men verplicht respectievelijk drie- of tweemaal per week de avondschool te bezoeken. Het aantal scholen in de koloniën groeide snel. Zo werd er o.a. een brei- en naaischool ingericht, maar ook een tekenschool, kookschool, een opleiding tot drukker of administratief medewerker.
De volgende koloniën
Na het gereedkomen van kolonie I (Westerbeeksloot) besloot het bestuur van de Maatschappij een tweede kolonie aan te leggen, nu ten noorden van de weg Steenwijk-Vledder. Op 16 augustus 1819 werd door mr. J.C. Faber van Riemsdijk de eerste steen voor de huisjes van kolonie II gelegd, waarmee het koloniedorp Frederiksoord werd uitgebreid. Deze woningen waren wat ruimer van opzet dan in kolonie I. Zo werden er bedsteden gecreëerd en was er een extra slaapkamer. De aanneemsom voor de eerste tien woningen bedroeg zo'n 2.200 gulden.
Vanwege het feit dat de boeren in Vledder hadden aangegeven geen grond meer te kunnen missen, werd kolonie III in de gemeente Steenwijkerwold aangelegd. 'Willemsoord' was in de zomer van 1820 gereed om zijn inwoners te begroeten.
De vierde kolonie werd grotendeels op grond behorende tot Westerbeeksloot gevestigd. Het kreeg in 1821-1822 de naam Wilhelminaoord, genoemd naar de moeder van koning Willem I.
Kolonie VI werd aangelegd op gronden die deels in Friesland en deels in Overijssel waren gelegen. Deze kolonie werd later bij Willemsoord gevoegd maar bleef in de volksmond 'aan de Vaart' heten.
Kolonie VII werd nooit voltooid. In het Doldersumer veld werden 25 (betere) kolonistenwoningen gebouwd, die in 1824 klaar waren.
In totaal werden er dus tussen 1818 en 1824 zo'n 400 kolonistenwoningen en 20 woningen voor wijkmeesters gebouwd: zeker in die tijd een meesterwerkje.
Veenhuizen en Ommerschans
Al in 1819 had de Maatschappij de beschikking gekregen over het niet meer in gebruik zijnde verdedigingswerk Ommerschans. Van den Bosch kon zijn plan om daar een groot gesticht te bouwen voor zo'n 1.000 tot 2.000 bedelaars tot uitvoer brengen. Rondom de schans werd kolonie V aangelegd. 24 Grote boerderijen waarop kolonisten die in Frederiksoord hun geschiktheid hadden bewezen een plaats als vrijboer zouden krijgen. Het werk op de boerderijen kon dan door de bedelaars worden gedaan onder toezicht van veldwachters. Uiteindelijk zijn er 18 boerenhoeven en 17 veldwachtershutten gerealiseerd.
In 1823 sloot de Maatschappij een 16-jarig contract voor 180.000 gulden met de Nederlandse regering om 4.000 wezen, 1.500 bedelaars en 500 gezinnen op te nemen. Voor de te plaatsen kinderen werden in Veenhuizen drie grote gestichten gebouwd. Uiteindelijk werden in het derde gesticht bedelaars geplaatst. Het grootste aantal van de naar Veenhuizen gezonden kinderen was afkomstig uit het Aalmoezeniersweeshuis in Amsterdam. In 1843 werden de voor kinderen bedoelde gestichten gesloten en voor bedelaars in gebruik genomen. Het tweede gesticht werd in 1869 gesloten.
De bedelaarsgestichten hebben de Maatschappij veel kritiek opgeleverd. Zowel van binnen als van buiten. Tot 1859 bleef de Maatschappij echter het beheer in de dwangkolonies voeren. Dat was het jaar waarin een scheiding tot stand werd gebracht tussen de vrije koloniën en de onvrije, die vanaf dat moment volledig onder de zorg van de staat vielen.
Tegenwind en geldgebrek
Ondanks de voorspoedige opbouw van de koloniën was er ook sprake van tegenwind tussen 1830 en 1860. De kosten voor de opbouw van met name de strafkoloniën vielen veel hoger uit dan aanvankelijk was geraamd. Daar bovenop kampte men een aantal jaren achtereen met zwaar tegenvallende oogsten. Ook trachtte men een lening van 1.000.000 gulden te plaatsen, maar ook dat bracht weinig soelaas. Prins Frederik en Koning Willem I schoten uit particuliere middelen aanzienlijke bedragen voor, maar ook dat kon niet voorkomen dat er twee regeringscommissarissen werden aangesteld, die tot de conclusie kwamen dat de Maatschappij ofwel failliet moest worden verklaard ofwel overgenomen moest worden door het Rijk. Johannes van den Bosch en het bestuur van de Maatschappij voelden daar niet voor en wisten deze maatregelen te vermijden.
De tegenslagen bleven komen. In 1844 stierf Van den Bosch plotseling. Eerst op 19 maart 1859 werd door Koning Willem III een regeling gesloten: overdracht van Ommerschans en Veenhuizen aan het Rijk, kwijtschelding van de vorderingen, behoud van de vrije koloniën door de Maatschappij (die in het vervolg als de Vereniging Maatschappij van Weldadigheid zou voortbestaan) en het verlenen van een bijdrage van 3.650.000 gulden ter aflossing van een groot deel van de schulden. De gereorganiseerde Maatschappij verhuurde voortaan de winkels aan de winkeliers, het koloniegeld werd uit circulatie genomen, 170 kolonisten werden in 1860 tot vrijboer bevorderd. De Maatschappij bouwde zes grote boerderijen, drie in Willemsoord, twee in Wilhelminaoord en één in Frederiksoord.
De geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid leert, dat het geen gemakkelijke opgave is geweest om de verpauperde medemens de mogelijkheid te bieden om een nieuw, menswaardig bestaan op te bouwen. Voor deze taak is veel inzicht, kennis en geduld nodig, maar bovenal veel geld. En daaraan heeft het de Maatschappij steeds ontbroken.
Een steen in de vijver
Het werk van deze bijna 200 jaar oude instelling mag als een belangrijk experiment worden beschouwd op sociaal-, cultureel-, economisch-, agrarisch- en bosbouwkundig gebied. Een inititatief dat een ongekend bereik heeft gehad en niet alleen in ons land. Zo liep de Maatschappij voorop met invoering van een verplicht ziekenfonds en de leerplicht. Pas later werden deze verplichtingen landelijk volgens de wet geregeld. Daarnaast hebben de ideeën van Van den Bosch internationale navolging gekend. Nog steeds zijn sporen van zusterprojecten te vinden in België (destijds de Zuidelijke Nederlanden) en Schotland in New Lanark.